Posted by David Delameilleure

Onlangs ben ik op bezoek geweest bij iemand die op sterven lag. De woorden uit 1 Timotheus 6:7 ‘want wij hebben niets de wereld ingedragen, het is duidelijk dat wij ook niets daaruit kunnen wegdragen‘ kwamen onmiddellijk in mijn gedachten. Het is een waarheid als een koe. We vergeten het maar met onze dood eindigt bijna alles dat van ons is – materiële bezittingen, maar ook relaties (het huwelijk bijvoorbeeld). De dood is verschrikkelijk en wij hebben het met opzet uit het zicht van ons dagelijks leven verwijderd, verbannen naar ziekenhuizen en rusthuizen, zodat gezonde mensen er niet mee geconfronteerd worden.
Hoe moeten wij omgaan met ons eigen sterfelijkheid zonder dat we ons kop in het zand houden?
‘Als u nu met Christus opgewekt bent, zoek dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, Die aan de rechterhand van God zit. Bedenk de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn, want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.’ Kolossenzen 3:1-3
Het antwoord die wij vinden in de Bijbel is dat wij ergens moeten nu al onszelf beschouwen als gestorven. We moeten nu al afscheid nemen van aardse dingen die geen eeuwige waarde hebben. Bijvoorbeeld ons huis, onze carrière, onze bezittingen. Onze relaties met anderen moeten beleefd worden vanuit een eeuwig perspectief. Dit wil zeggen dat zelfs onze relatie met onze partner of onze kinderen mag niet het doel worden in ons leven want deze ook zullen in hun huidige vorm ten einde komen met ons dood. Het enige dat overblijft is onze persoonlijke relatie met God. 
 
Toen ik hierover aan het nadenken en bidden was, kreeg ik een beeld in mijn gedachten. Er waren twee voorwerpen allebei waren ze gemaakt uit twee soorten elementen: verteerbaar en onverteerbaar. De eerste voorwerp was hoofdzakelijk gemaakt uit het verteerbaar element dus toen het blootgesteld werd aan een zuur was er weinig die overbleef. De tweede voorwerp was hoofdzakelijk gemaakt uit het onverteerbaar element dus toen het blootgesteld werd aan een zuur was er veel die overbleef.
De twee voorwerpen zijn twee soorten christen. De eerste christen is te veel bezig met aardse dingen. Hun identiteit ligt in allerlei dingen die geen eeuwige waarde hebben. Toen het moment van sterven aankwam werd er veel verteerd en bleef er weinig over. De tweede christen is bezig met dingen die boven zijn. Hun identiteit ligt in hun relatie met God die sterk en gezond is. Wanneer het moment aankwam om te sterven werden de aardse dingen verteerd maar de verandering was kleiner omdat er nog veel overbleef.
De tweede christen is beter voorbereid op de dood dan de eerste christen. Je kan zelfs zeggen dat de overgang van dit leven naar de volgende minder ingrijpend is voor de tweede christen dan de eerste christen omdat er veel meer overblijft van hun identiteit en persoonlijkheid.
Dus wanneer we nadenken over onze sterfelijkheid moeten we ons de vraag stellen: hoeveel van mijn identiteit wordt bepaald door aardse dingen die zullen verteerd zijn, en hoeveel wordt bepaald door mijn relatie met God die de dood zal overleven?